Basra (Arabisch: al-Basrah) is de op een na grootste stad van Irak. De stad ligt op ruim 100 km van de Perzische Golf aan de Sjat al-Arab (het verlengde van de Tigris en de Eufraat) in het uiterste zuidoosten van het land. Ze telt vermoedelijk ruim 1,3 miljoen inwoners. De stad wordt omringd door belangrijke olievelden en is mede daardoor van grote strategische betekenis. Basra heeft alleen al in de twintigste eeuw vier keer in de vuurlinies gelegen: in 1914, toen de Britten de stad op het Turkse rijk veroverden; in de Tweede Wereldoorlog, toen de Britten de stad wederom innamen; vanaf 1980 in de oorlog tussen Irak en Iran; en in 1991 tijdens de Golfoorlog. Tijdens de Iraakse oorlog van 2003 waren het opnieuw de Britten die Basra innamen.
Behalve door haar olieindustrie is Basra van belang als grootste havenstad van Irak. Van oudsher is de omgeving van Basra ook bekend om haar productie van graan en veelgeprezen dadels.
Basra werd in 636 gesticht door kalief Omar, maar die stad werd in de vijftiende eeuw door Mongoolse plunderaars verwoest. Het huidige Basra werd even stroomopwaarts gebouwd. Sinds Basra in 1668 door de Turken werd veroverd, was de stad een voortdurende twistappel tussen de Turken en de Perzen. De bevolking was en is in meerderheid Arabisch en sji'itisch moslim.
Tijdens de Tweede Golfoorlog in 2003 was het de bedoeling dat Basra zou functioneren als toevoerhaven voor humanitaire hulp voor de Iraakse burgerbevolking. Hiertoe verklaarden de Verenigde Staten Basra tot militair doelwit. Na een beleg van twee weken namen de Britten de stad op 5 april in.