Reden van bestaan
De vraag naar de bestaansgrond is altijd een bewogen, een meeslepende en een terugkerende discussie geweest binnen D66. Het eerste partijcongres omschreef haar als een radicale democratisering van de Nederlandse samenleving in het algemeen en van het Nederlandse politieke bestel in het bijzonder. Dit is een tweeslag maar de nadruk heeft lange tijd gelegen op de laatste component, de staatsrechtelijke vernieuwing. Speerpunten daarbij zijn het referendum, afschaffing van de Eerste Kamer, directe verkiezingen van de minister-president en burgemeesters, en de invoering van een gematigd districtenstelsel. Mede-oprichter Van Mierlo was dan ook een exponent van het democratisch radicalisme, een stroming die in de negentiende eeuw was vermalen tussen socialisme en liberalisme. Hij had weinig op met nadere aanduidingen omtrent de visie en maatschappijbeschouwing van D66. Ideologieën hadden immers afgedaan en D66 was vooral een pragmatische partij. Na de periode Terlouw, die de partij als 'redelijk alternatief' wel meer in een eigen traditie trachtte te plaatsen met aandacht voor milieu, sociale vraagstukken en technologie, kwam Van Mierlo midden jaren tachtig terug met zijn rede 'Een reden van bestaan'. De primaire bestaansgrond lag volgens deze rede nog steeds in de politieke vernieuwing.
Aan het eind van de twintigste eeuw komen de kaarten wat anders te liggen. Nadat het anti-dogmatische van de partij een heel eigen dogma leek te zijn geworden, weet de groep Opschudding in 1998 dit dogma te doorbreken en slaagt ze er als eerste in de partij een ondertitel mee te geven. D66 heet vanaf dan sociaal-liberaal. Opschudding verwoordt het zo: "D66 bestaat als sociaal-liberale partij om een duurzame, democratische en open samenleving op te bouwen, waarin de mens zich ontplooit in solidariteit met anderen.". Hiermee plaatst de partij zich in de vrijzinnige internationale politieke hoofdstroom van het progressief liberalisme en in de politieke filosofie van het ontplooiingsliberalisme. Dit legt de partij vast in haar statuten alsmede in de "Uitgangspunten van D66".
Met deze inbedding in het progressief liberalisme heeft D66 een tweede reden van bestaan. Deze tweede reden vervangt de eerste echter niet, de eerste gaat er in wezen in op. Het ontplooiingsliberalisme stelt de vrije maar verantwoordelijke mens centraal. En het wil de mens, in gelijkwaardigheid tot elkaar, invloed geven om zelf invulling te geven aan het leven en de maatschappij. Voor dat laatste is openheid en democratie noodzakelijk en daardoor wordt de oorspronkelijke bestaansgrond ook door de tweede geimpliceerd.
Met deze oriëntatie op het progressief liberalisme kan D66 beschouwd worden als de herleving van de Vrijzinnig Democratische Bond (VDB).
D66 is lid van de Liberale Internationale en van de Partij van Europese Liberalen en Democraten
D66 bewindslieden
- Hans van Mierlo - minister van Buitenlandse Zaken en vice-premier, Kabinet Kok I
- Hans Wijers - minister van Economische Zaken, Kabinet Kok I
- Winnie Sorgdrager - minister van Justitie, Kabinet Kok I
- Els Borst - minister van Volksgezondheid en vice-premier, Kabinet Kok I en II
- Roger van Boxtel - minister van Grotesteden- en Integratiebeleid, Kabinet-Kok II
- Laurens Jan Brinkhorst - minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Kabinet Kok II en minister van Economische Zaken Kabinet-Balkenende II
- Thom de Graaf - Vice-premier, Minister van Bestuurlijke vernieuwing en Koninkrijksrelaties, Kabinet-Balkenende II
- Medy van der Laan - staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, Kabinet-Balkenende II
Externe link