Harmonieleer is een onderwerp binnen de muziektheorie. Er is sprakle van 'harmonie', wanneer er meerdere en verschillende tonen tegelijk klinken. In de striktere zin wordt in de harmonieleer onder harmonie verstaan: de opeenvolging van akkoorden. In de ruimere zin wordt onder harmonie verstaan: de omgang met samenklanken binnen een stuk of stijl. Harmonie hoeft in deze betekins niet harmonieus te zijn. functionele harmoniek
Rond 1600 onstond het harmonisch denken in akkoorden en het luisteren naar hun grondtonen. In deze functionele harmoniek zijn drie functies: - Tonica (grondtoon),
- Dominant (spanningspunt) en
- Subdominant (ontspanningspunt).
Door een afwisseling van spanning en ontspanning ontstaat de ervaring van een grondtoon en een toonsoort (tonaliteit). Een functionele accoordopeenvolging definieert de toonsoort en heet: cadens. Gedurende de drie opeenvolgende eeuwen (1600-1900) werden steeds ingewikkelder akkoorden en cadensen gebruikt. Zo gebruikte bijvoorbeeld Chopin regelmatig passages met niet-functionele parallel-harmoniek, en ontwikkelde Wagner zwevende tonaliteit, waarbij een (functionele) grondtoon niet meer aanwezig of te herkennen is.
modale harmoniek
In het begin van de twintigste eeuw werd door een aantal componisten het werken met toonsoorten verlaten. Zo ontwikkelde Schoenberg atonaliteit, een opzettelijk grondtoonloze muziek, waarbij geen toon belangrijker mocht zijn dan de andere. Schoenberg noemde dit overigens zelf: pantonaliteit, maar deze term heeft geen algemene ingang gevonden. In navolging van Debussy en Ravel wordt in eigentijdse Jazz veelvuldig gebruik gemaakt van modale harmoniek en afwijkende akkoordbouw.