Novi Sad (Duits: Neusatz, Hongaars: Újvidék, de naam betekent: ?nieuwe tuin?) is de tweede stad van Servië en Montenegro (186.312 inwoners), gelegen aan de Donau, circa honderd kilometer ten noordwesten van Belgrado. Het is de hoofdstad van de Vojvodina.
De stad is niet zeer oud: pas in de 18e eeuw werd Novi Sad een stad. De plaats lag strategisch, tegenover het fort Petrovaradin, een belangrijk bruggenhoofd aan de overzijde van de rivier. In 1748 kreeg het van de Oostenrijkse keizerin Maria-Theresia de status van Vrije Koningsstad. Novi Sad ontwikkelde zich in de 19e eeuw tot een belangrijk Servisch cultureel centrum, het Servische Athene. De stad behoorde in die periode tot Hongarije, terwijl Servië verder grotendeels Turks was. In 1920 werd de stad bij het Verdrag van Trianon met de rest van de Vojvodina toegewezen aan Joegoslavië. Novi Sad ontwikkelde zich tot een belangrijke industriestad, die in 1999 een belangrijk doelwit was van de NAVO-bombardementen op het Joegoslavië van Slobodan Milosevic. Alle bruggen werden onbruikbaar. Begin 2003 ligt er nog steeds een pontonbrug over de Donau (ter vervanging van een tweetal verkeersbruggen) waardoor het scheepvaartverkeer vanuit het noorden geblokkeerd is. De spoorwegbrug en een andere verkeersbrug zijn weer in gebruik.
De voornaamste bezienswaardigheid van Novi Sad is het fort Petrovaradin, waar Oostenrijk en Venetië de Turken in 1716 een nederlaag toebrachten. Aan het Vrijheidsplein (Trg slobode) staan het stadhuis, de rooms-katholieke kathedraal, en aan de westkant enkele prominente gebouwen uit het fin de siècle. Interessant is ook de grote synagoge (1909), die tegenwoordig als concertzaal in gebruik is.
De bevolking van Novi Sad is altijd sterk gemengd geweest. In het verleden waren er grote Griekse en joodse minderheden. Tegenwoordig is de voornaamste minderheid de Hongaarse.
Novi Sad heeft sinds 1960 een universiteit.
Aan de overzijde van de Donau ligt het heuvelland van de Fruska Gora met zijn talrijke orthodoxe kloosters.