 |
Sonnet Een sonnet of klinkdicht, van oorsprong afkomstig uit Italië, is een veertienregelig gedicht bestaand uit vier strofen. De eerste twee strofen bestaan uit vier regels, de kwatrijnen. Samen heten deze het octaaf. De laatste strofen hebben elk drie regels, de terzinen. Deze heten samen het sextet. Soms worden beide kwatrijnen samengevoegd tot een octaaf (zie onderstaand voorbeeld), soms beide terzinen tot een sextet. Na het octaaf ligt een wending, ook wel chute of volta genaamd. De gedeelten voor en na de chute vormen een eenheid van vorm en inhoud. Het rijmschema waarvoor vaak wordt gekozen is abba abba cde cde, hoewel ook andere rijmschema's, bijv. cdccdc, of cdedce gebruikt werden. Een reeks sonnetten over hetzelfde onderwerp heet een sonnettencyclus of sonnettenkrans. Het misschien wel bekendste Nederlandse sonnet is dat van Martinus Nijhoff: - De moeder de vrouw
- Ik ging naar Bommel om de brug te zien.
- Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden
- die elkaar vroeger schenen te vermijden,
- worden weer buren. Een minuut of tien
- dat ik daar lag, in 't gras, mijn thee gedronken,
- mijn hoofd vol van het landschap, wijd en zijd -
- laat mij daar midden uit oneindigheid
- een stem vernemen dat mijn oren klonken.
- Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer
- kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren.
- Zij was alleen aan dek, zij stond bij 't roer,
- en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.
- O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer.
- Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.
In Engeland schreef William Shakespeare veel sonnetten in de vorm van het naar hem genoemde Shakespeariaanse sonnet. Dit bestaat uit drie coupletten van vier regels, gevolgd door een couplet van twee regels. De gebruikte rijmschema's hierbij zijn abab cdcd efef gg en abab bcbc cdcd ee.
|
 |
|