De trompet is een blaasinstrument en wordt tot het scherpe koper gerekend. De lengte van de mondstuk tot beker is ca 50 cm. Het geluid ontstaat door met opeengeperste lippen lucht in het mondstuk te persen. De trompet klinkt vrij hoog met een heldere doordringende toon. De cylindrische buis is voorzien van een drietal ventielen die de buislengte in een aantal combinaties verlengen en verwijdt zich uiteindelijk, evenals bij de trombone tot een trechtervormige beker. De kleinste uitvoering heet cornet.
Voorlopers van de trompet bestonden al in 2000 v. Chr., zij het ook in een veel primitievere vorm dan waarin wij de trompet tegenwoordig kennen. Toen konden er met de trompet alleen natuurtonen gemaakt worden. Voor zijn signaalfunctie, in het leger, was dit voldoende. De trompet zoals wij die nu kennen is in de 16e tot de 18e eeuw ontstaan. In een symfonieorkest worden tegenwoordig meestal de Bes en F trompet gebruikt, die beide een bereik van twee octaven hebben.
Zie ook: tuba, hoorn, trombone