Windmolens zijn apparaten die de bewegingsenergie van lucht (wind) omzetten in rotatie-energie van de wieken, die dan nuttig kan worden gebruikt voor het opwekken van elektriciteit, het verplaatsen van water, het malen van graan of andere doeleinden. Bij windmolens kan men 2 hoofdtypen onderscheiden. De industriële windmolens die dienen om electriciteit op te wekken (b.v. het park windmolens in de Maasvlakte). Deze molens worden meestal windturbines genoemd. En de oude typen, waarvan er nog ± 10000 overal in het landschap te vinden zijn, zoals de watermolens die strikt genomen niet in dit bestek thuishoren en de echte windmolens die men verder kan onderverdelen in:
- Acht- of zeskante berg- of beltmolens.
- Ronde stenen (of acht- of zeskante) grondzeilers.
- Tjaskers.
- Stellingmolens. (waaronder stenen ronde en acht- of zeskantige exemplaren)
- Paltrokmolens
- Bovenkruiers.
- Halfgesloten of open standermolens.
- Torenmolens
(Ook bij een stellingmolen kan men van bovenkruier spreken evenals bij een belt-of bergmolen)
Hoe idyllisch was het molentijdperk nou eigenlijk? In de Gouden Eeuw was de Zaanstreek een gigantisch industrieel molengebied. Duizenden windmolens zaagden het hout uit Scandinavië voor de scheepsbouw, voor de papierindustrie die sinds 1650 opbloeide - tot 1795 bleven de papiermolens draaien. De molens maalden de polders droog, ze maalden schoon water voor productie-doeleinden van grote diepte omhoog, ze maalden het graan uit de Oostzeelanden. Ze maalden zonnebloempitten en ze maalden het lijnzaad tot olie voor de toen al gigantische verfindustrie (olieverf). Want alles werd geschilderd, de schepen, de houten huizen. Waaruit blijkt dat de Gouden Eeuw in de tijd van de windenergie ook zo schoon niet was. De Zaanstreek stinkt nog steeds naar stopverf.
Windmolens Eempolder bij Eemdijk
foto Victor Bos Moderne windmolens of windturbines worden gebruikt voor het opwekken van windenergie. begrippen
- Bovenkruier molen waarvan de kap met een houten staart op de wind wordt gekruid (gedraaid).
- Gevlucht samenstel van vier molenwieken.
- Kollergang in een oliemolen: een ronddraaiende, verticaal lopende kantsteen die over een cirkelvormige, horizontale plaat draait om zaad te pletten.
- Kruien op de wind zetten.
- Kruipad cirkelvormig houten ringbalk waarop een tjasker op de wind wordt gekruid.
- Onderkruier molen waarvan de hele romp door kruien op de wind kan worden gezet.
- Paltrok houtzaag-windmolen met houten romp van het type onderkruier.
- Remwiel wiel waaromheen de vang (zie vang) zit om de molen te remmen.
- Schuifkruiwerk inwendig mechanisme om de molen op de wind te zetten.
- Standermolen windmolen waarvan de kast kan draaien rond een spil (standerd).
- Stellingmolen windmolen met rondom de romp een stelling voor kruien, vangen en bedienen van de zeilen.
- Torenmolen windmolen van middeleeuwse oorsprong met cylindrisch opgemetselde romp.
- Vang remconstructie in een windmolen die om het bovenwiel grijpt om het wiekenkruis stil te zetten; vergelijkbaar met een trommelrem.
- Wiekenkruis gevlucht van een windmolen, bestaande uit een askop met vier haaks op elkaar staande wieken.
- Zelfzwichting constructie van draaibare houten kleppen in de wieken van een molen, die de zeilen vervangen en zich aanpassen aan de windsnelheid.
Zie ook: molenaar